Pinksteren op de Kapelberg

Vanmorgen waren zo’n tachtig personen naar de Kapelberg in Bergharen getrokken. Te voet, met de fiets, met de auto, uit alle hoeken van ons dekenaat. (Helaas slechts een kleine groep vanuit onze parochie.) Gelukkig was het droog, soms liet de zon zich zelfs even zien.

Het was een viering die zowel in het teken stond van Maria, als van het samen-op-weg-zijn (synodale proces) en natuurlijk van Pinksteren. Bij het openingswoord werd nadrukkelijk bij de laatste twee thema’s stilgestaan:

Pinksteren.

Het woord is afgeleid van het Griekse ‘pentecoste’:  ‘vijftigste’ –  en betekent daarmee  de vijftigste dag,  en wel  de vijftigste dag na Pasen.

Ons christelijk geloof vindt zijn oorsprong in het jodendom. ‘Ons’ Pinksterfeest is namelijk geënt op het joodse Wekenfeest, de feestdag die – na zevenmaal zeven plus één, na vijftig dagen dus –  het joodse Pasen (Pesach) afsluit.

Het Wekenfeest is een oogstfeest. De graanoogst wordt voltooid, en de eerste vruchten van het veld worden aan God opgedragen.

Wat zou er dan –  tegen deze achtergrond –  op tegen kunnen zijn om ook ons ‘eigen’ Pinksterfeest te beschouwen als een oogstfeest? We vieren immers vandaag de geboorte van onze kerk –  als de vrucht van het Paasfeest. Laten we dat doen  in het diepe besef dat ieder van ons geroepen is om zijn of haar leven – op welke wijze ook – vruchtbaar te doen zijn, en zo bij te dragen tot de groei van Gods Rijk in ons midden.

Dat Gods Geest ons daartoe moge bezielen – en dat dit uur een uur moge zijn waarin we op adem komen en kracht ontvangen – om samen op weg te gaan, Gods toekomst tegemoet. …

Ik wens ons allen een inspirerende viering toe.

De eerste lezing was genomen uit Jeremia (31: 7-9) en de tweede, het evangelie, uit Johannes (19: 25-34).

Ter afsluiting werden (symbolisch) zeven kaarsen voor Maria ontstoken en, hoe kan het ook anders, een Maria-lied gezongen.

Gelukkig was er na afloop weer de mogelijkheid om elkaar bij een kopje koffie of thee nog even te treffen. En natuurlijk om op kapellentocht te gaan, om een kaarsje te branden bij Maria, om even stil te worden.

(Onder de foto’s treft u de uitgesproken overweging aan – met dank aan pastoor Ruud Roefs.)

Johannes 19, 25-34

Jezus geeft de geest. Bij die woorden blijf ik haken. Het zijn woorden met een dubbele bodem – zoals dat bij Johannes wel vaker het geval is. Gaat het alleen maar om een mens die zijn laatste adem uitblaast, of is er meer aan de hand? Verwijst Johannes misschien ook al – op het moment van sterven – naar de Geest die, vijftig dagen later, aan Jezus’ leerlingen zal worden meegedeeld?

Als we de auteur van het boek ‘Handelingen’ mogen geloven, is het begin van onze kerk – dat we met Pinksteren vieren – weinig indrukwekkend. Die allereerste leerlingen, onze voorouders: ze zijn bang, uitgeblust, stuurloos, onzeker. Ze missen een hand –  ZIJN hand – die hen vasthoudt en leidt. En zijn vertrouwde woorden van troost en bemoediging: ‘Wees niet bang. Ik ben bij je. Ik houd je vast. Ga op weg …’ De opstanding uit de doden lijkt vergeten. De auteur van het boek ‘Handelingen’ beschrijft hoe de leerlingen bij elkaar zitten – terneergeslagen, bang, achter gesloten deuren. Hoe nu verder? Of is er geen ‘verder’, en zetten ze maar beter een punt achter het verhaal? Zo’n dikke punt als in ‘punt uit’?

Wat volgt, is echter geen punt, maar een dubbele punt. Het verhaal krijgt een vervolg. En wat voor een. Dat kleine groepje mensen – stuk en lamgeslagen door wat hen overkomen is – komt het verdriet en de angst te boven. Het maakt zich Jezus’ verrijzenis eigen en staat op uit de eigen dood bij het leven. Het wordt Pinksteren. De bekroning van een lange, soms moeizame weg: Goede Vrijdag – Pasen – Hemelvaart – Pinksteren. De leerlingen krijgen de geest. Verlamming en angst slaan om in geest-drift. Ze staan op. Hun eigen Pasen. Ze komen in vuur en vlam te staan. En het grote, angstige zwijgen wordt doorbroken. De deur gaat open – en ze treden naar buiten. Onbevangen. De wereld tegemoet. De eerste christelijke ‘coming out’. Stom-geslagen monden – we hoorden het in de evangelielezing van gisteren – komen tot spreken. Spreken een taal die voor ieder mens verstaanbaar is. De boodschap komt over. Want men voelt – van waar men ook gekomen is: dit, dit zijn be-ziel-de mensen. Dit is écht. En wat echt is, komt over. Waar ter wereld ook. Ja, zo moet het ooit begonnen zijn. Met mensen, zó echt, zó authentiek, zó bevlogen dat je er simpelweg niet omheen kunt.

Zo moet het ooit begonnen zijn. Met mensen van wie het enthousiasme afspat. Mensen met een woest aantrekkelijke taal. Voor iedereen verstaanbaar en toegankelijk. Ja, zo moet het ooit begonnen zijn. Maar nu? Tweeduizend jaar later. Hoe enthousiast zijn we eigenlijk nog? En spreken we als kerk ook vandaag nog een taal die door ieder mens kan worden verstaan? Of komt de boodschap niet meer over? Soms lijkt het laatste het geval te zijn – en zijn we geneigd de deur achter ons dicht te trekken. Om lopende zaken netjes af te wikkelen. Totdat de laatste het licht uitdoet.

Soms denk ik wel eens dat we – zonder het te beseffen – nog heel veel weg hebben van die allereerste leerlingen die zichzelf verschansen – de deuren en ramen stevig  gebarricadeerd. Uit angst voor ‘de boze buitenwereld’. Het verbaast me en doet me soms pijn om te zien hoe vele christenen – hun leiders niet uitgezonderd –  oog in oog met een complexe wereld en de grote vragen van deze tijd, verkrampen en geneigd zijn zichzelf op te sluiten in een bastion van dogma’s, regels en wetten – menend zo in staat te zijn de boze buitenwereld buiten de deur te houden en een veilige schuilplaats voor zichzelf te creëren. Een jammerlijke misvatting: als wij onszelf als kerk – als in een krampachtige reflex –  opsluiten in onze eigen bubbel en ons eigen gelijk, en als daardoor het contact met de buitenwereld wegvalt, zal het enige resultaat straks een oorverdovende stilte zijn: een kerk die er niet meer toe doet. En als we dat willen voorkomen – en volgens mij is dát toch ons gemeenschappelijk verlangen, zullen we een antwoord moeten geven op de vraag hoe wij – als christenen, als gelovige mensen – niet ván, maar wel ín de wereld van vandaag – in staat zijn op een aanstekelijke en geloof-waardige wijze te getuigen van de evangelische boodschap – om zo het oude verhaal van het kerkelijk stof der eeuwen te ontdoen en het zijn oorspronkelijke glans terug te geven.

Maar … hoe doen we dat, ‘getuigen’? Een moeilijke vraag. En een opdracht die ons mogelijk afschrikt. Want kúnnen we dat wel? Is het niet te veel? Niet te groot voor mensen als wij? Mensen met al die beperkingen die ons mens-zijn nu eenmaal met zich meebrengt. Ja, als ik de opdracht om te getuigen in de sfeer trek van ‘presteren’ en ‘scoren’ – van alsmaar groter, hoger en meer – ja, dan krijgt ieder mens het benauwd. Om vervolgens heel snel af te haken.

Getuigen – leven voor het Evangelie, dat lukt mij niet op eigen kracht alléén. Dat lukt mij alleen [ … ] als ik mij ‘gedragen’ weet. Door mensen om mij heen. Door mensen die samen met mij op weg gaan. En in al die mensen door God. Geloof het of niet.

Misschien denkt u nu: mooie woorden … Maar waar ís Hij dan, die God van jou ..? Zie jij Hem? Ik niet.

Ik geef toe: God laat vaak naar zich raden. Ik zie Hem ook niet altijd. Maar ‘soms even’ wel. Ik moet in dit verband denken aan een kort lied dat in tal van religieuze gemeenschappen gezongen wordt aan het begin van het ochtendgebed. Het is van de hand van Huub Oosterhuis en het luidt als volgt:

Wek mijn zachtheid weer. Geef mij terug de ogen van een kind.
Dat ik zie wat is. En mij toevertrouw.
En het licht niet haat.

Misschien bevat deze korte acclamatie ergens wel dezelfde boodschap als het Evangelie van Jezus Christus: Wees niet bang. Wees niet bang voor wat het leven brengt. Voor het leven zelf. Het leven dat soms een moeizaam of eenzaam avontuur kan zijn …  Kijk onbevangen om je heen – als met de ogen van een kind – een kind dat alles voor het eerst ziet – en blijf zoeken, vol vertrouwen zoeken naar dat ene teken van hoop, hoe klein, hoe bescheiden misschien ook. Naar dat ene teken dat je – als een zachte bries in je gezicht – laat voelen dat God zijn wereld nog steeds niet losgelaten heeft. Dat zijn Geest nog altijd werkzaam is. Werkzaam is en vrucht draagt. In jou en in mij.

Mooie woorden, zo denkt u wellicht opnieuw … Maar waar zijn ze dan, die ‘vruchten van de Geest’? Bestaan ze echt? Of maken we onszelf maar wat wijs?

Nee, ze zijn er. Ik zie Gods Geest aan het werk in elke mens die de moed heeft om tegen de stroom, tegen de on-geest van deze tijd in te roeien. De geest van ‘eigen volk eerst’. De geest die niet verbindt, maar verdeelt. De geest van verdachtmaking aan het adres van politiek, journalistiek en wetenschap – tot doodsbedreigingen aan toe.  De geest, de on-geest van de ‘24-uurs-economie’, de afgod van deze tijd waaraan meedogenloos mensen worden opgeofferd. Wij zijn getuigen van een sluipende ontmenselijking van onze samenleving – en hebben daartegen onze stem te verheffen. Wij mogen (juist) als kerk niet zwijgen.

Ik zie Gods Geest aan het werk in al die mensen die zich – met hart en ziel – als vrijwilliger inzetten voor onze samenleving, voor hun naaste, voor onze geloofs- en parochiegemeenschap. Met hun kleine en hun grote talenten. Prachtig werk wordt er verzet …  Om niet. En vaak tegen de stroom in. Als dat geen vruchten van de Geest zijn!

Maar ook – en met name – ervaar ik Gods Aanwezigheid in de kwetsbare en gebroken mens. Vaak aan het bed van een zieke. Zoals een tijdje geleden toen ik  een oude dame het sacrament der zieken geven mocht. Ze ontving het in alle rust en in groot vertrouwen. Als het lichaam niet meer wil, komt het op iets anders aan. Op – laat ik het maar noemen – ‘de geest die in je woont’. Soms val ik eenvoudigweg stil – in diep respect – als ik getuige ben van de gelovige moed en de geestkracht van mensen die voelen en weten dat hun levenseinde nadert. Dat zijn momenten waarop ik wel eens denk: ik mag hopen dat het ook mij, als mijn tijd gekomen is, zo gegeven zal zijn … Dat zijn heilige momenten. Momenten die te groot zijn voor woorden. Momenten waarop ik stilval en zwijg – en alleen maar aanwezig ben. Erop vertrouwend dat Gods Geest ook dan zijn werk doet. Zonder woorden. In alle stilte.

Wees niet bang, zo klinkt het uit Jezus’ mond. Wees niet bang, maar weet je – in alles wat je doet, in alles wat je overkomt – gedragen door God. Mijn Vader en jouw Vader. Durf te geloven dat God er is – dat zijn Geest werkzaam is – dat Hij, onzichtbaar en stil, de Adem, de hartslag van je leven is. God is, zegt Johannes. Hij is. En laat dat voldoende zijn.

Kom, Heilige Geest,
vervul de harten van uw gelovigen
en ontsteek in hen het vuur van uw liefde.
Zend uw Geest en alles zal worden herschapen.
En Gij zult het aanschijn van de aarde vernieuwen.

Dat het zo zijn moge.
Een Zalig Pinksteren – voor u en de uwen!