Antoniuskapel onder grote belangstelling ingezegend

Er verzamelden zich vanmiddag, zaterdag 10 december, veel mensen op het kerkhof in Deest. Zij waren ondanks de kou ingegaan op de uitnodiging. Vooral mensen uit Deest natuurlijk, maar ook uit Afferden, Druten, Horssen en Puiflijk. Kortom, de hele parochie was aanwezig bij de inzegening van de Antoniuskapel in Deest.

Na het Rorate Caeli, gezongen door het herenkoor uit Druten, ging pastoor Pieter Zimmermann even terug in de tijd. Naar de tijd dat Deest de eerste Antoniuskapel wist te realiseren op bijna dezelfde plek als nu. Ondanks de nodige strijd met Afferden – de pastoor van Afferden was ook pastoor van Deest – en ondanks een formele bevestiging. Dat gebeurde pas een eeuw later, toen de kapel ook voor de Eucharistie in gebruik kon worden genomen.

Ook stond hij stil bij de drie heiligen die een plekje in de huidige kapel hebben gekregen. Elk van hen belangrijk voor Deest en wel, achtereenvolgens: Antonius Abt, Antonius van Padua én Maria-Onbevlekt-Ontvangen.

Onder de foto’s meer informatie over de geschiedenis van de kapel.

Na het gebed en een lezing (passage uit de Bergrede) werd de kapel ingezegend.

En na het slotgebed stond de warme chocomel en glühwijn klaar. Dat smaakte vooral door de kou extra lekker.


St.-Antonius en Deest


Deest viert dit jaar zijn 1025 bestaan, maar de langste tijd was het een buurtschap onder Afferden. Pas in 1858 werd Deest een eigen parochie.

Abdis en kloosterzusters ’s-Gravendaal, ca. 1530, St- Vincentiuskerk Asperden (D)

Onder het pastoraat van de Afferdense pastoor Herman van Hagenbeke begon Deest zich in 1456 met steun van de nonnen van ’s-Gravendaal  zich van Afferden los te wrikken. De abdis moet de tijd rijp hebben geacht om van ‘haar’ Deest (ze bezat 50% van het hele dorpsareaal) een eigen kerspel te maken, onafhankelijk van de grote kerk in Afferden. Deest lag bijna een halve mijl van die kerk af, en de weg daarnaartoe was ’s-winters vaak onbegaanbaar.

Helemaal uit het niets duiken in dat jaar in Deest vijf mannen op, die zich ‘kerkmeesters’ noemen: Derick Heisken, Johan van Ingen, Willem van den Woirdt, Derick Schutt en Rutger van Workum. [1] Het vijftal verkoopt een stuk land, dat aan het dorp toebehoort, aan de nonnen om met de opbrengst – ter ere Gods – een kapel te stichten. De prijs, die ze ontvingen, is niet bekend, maar het ging om een fors bedrag, want klein is de kapel niet geworden. Het gebouw werd neergezet, recht voor de deur van de Reventer [2], die ‘mijn vrouwe van Nyencloster (de abdis van ’s-Gravendaal) toebehoert,’ zodat ‘wanneer mijn vrouw off oir jofferen daer komen in die Reventer op oir gueder, dat sy alsdan eenen priester krygen, die hoer dair alsdan mys lees.’

Antoniuskapel te Deest, gravure van H. Spilman, 18e eeuw

De kapel werd toegewijd aan de H. Antonius, de Abt, met het varkentje. Hij werd niet alleen aangeroepen tegen veeziekte, maar ook tegen de pest. Hij was in Gelre ongekend populair in de vijftiende eeuw. In kerken en kapellen was zijn beeltenis overal ruim aanwezig. In onze parochie stonden ter ere van hem altaren in de middeleeuwse kerken van Afferden, Druten en Horssen. (In die plaats zou hij rond 1800 de heilige Bonifatius zelfs verdringen als patroonheilige.)

St.-Antonius Abt, Kleef-Gelre, ca. 1480  Museum Catharijneconvent Utrecht  Een vergelijkbaar beeld stond (o.a.) in de kerk van Wamel

Bij de kapel werd ook een eigen begraafplaats gesticht, zodat men de doden niet meer naar Afferden over hoefde te brengen. Het kerkhof zou de inwoners van Deest dagelijks herinneren aan de vergankelijkheid van het leven en aansporen om missen te laten lezen voor het zielenheil van de overledenen, nu niet langer in de grote kerk van Afferden, maar in Deest zelf.  Er werden weldra twee doordeweekse missen gesticht. De priester die aan de kapel verbonden was, kon in de Reventer net zo dikwijls eten als hij maar beliefde. De abdis van ’s-Gravendaal verschafte hem ‘alle daege een mailtiit’.

Over de benoeming van de geestelijken ontstond al gauw een conflict met de pastoor van Afferden. Die meende dat híj, en niemand anders in de Deester St. Antoniuskapel de priesters te benoemen had, want Deest behoorde immers tot zijn parochie. Maar in Deest dacht men daar heel anders over. De zaak escaleerde, toen in 1556 de Deester ‘kapelaan’ Jan van Roemen overleed. De pastoor, magister Stephanus Heijden, scholaster van het kapittel van St. Steven te Nijmegen, stuurde zijn assistent Johan die Hey naar Deest om daar de mis te doen. Deze vond de deur op slot. Van de buren hoorde hij dat kerkmeester Joriën van den Graeff de sleutels mee naar huis genomen had. Van den Graeff, bleek onder geen enkele voorwaarde bereid de kapel voor Die Hey open te doen. Hij had zelfs de kelk en miskleren mee naar huis genomen. Onze priester keerde dus onverrichter zake terug naar Afferden. Uiteraard pikte pastoor Heijden dit niet. Knarsetandend van woede trok hij met een notaris en een paar getuigen naar Deest om orde op zaken te stellen. Maar ook dit maakte op de Deestenaren niet de minste indruk. Van den Graeff schold de pastoor de huid vol en maakte duidelijk dat hij geen enkele priester uit Afferden meer zou toelaten in ‘zijn’ kapel. Hij had al een eigen geestelijke uit de Betuwe gevonden. Niet de pastoor van Afferden, maar de abdis en de inwoners van Deest hadden het recht om een pastoor te benoemen en de misgelden te beheren.

Misgewaad klooster ’s-Gravendaal, ca. 1510, Schnütgen Museum Keulen (D)

De pastoor maakte de zaak aanhangig bij het Hof in Arnhem. Hevige verwijten volgen over en weer. De kapel was van Deest, door de gezamenlijke inwoners gesticht. Uit eigen zak brachten de Deestenaren zelfs elk jaar een bedrag op om de vensterglazen en het dak dicht te houden. Van dat bedrag werden ook ‘wijn, broet, was(kaarsen) ende mysgewitt’ aangekocht. Natuurlijk viel Deest net als de rest van Maas en Waal onder jurisdictie van de aartsdiaken van Xanten, maar het was ‘die onwedersprelicke waerheit’ dat de heren van Xanten zich nooit bemoeid hadden met de kapel in Deest. Wat had de aartsdiaken met benoemingen te maken? De pastoor van Afferden kreeg voor zijn pastoorschap 100 gulden per jaar. Daar hoefde hij niets voor te doen dan wijn te drinken, want hij is er nooit. Hij heeft in Afferden zelden de mis of vespers gedaan. Niet Van de Graeff, maar de pastoor maakte de zaak in Deest kapot. Daarmee was de toon wel gezet.

Het Hof had kennelijk weinig trek in de zaak. Pas drie jaar later komt er een soort tussenvonnis. Van den Graeff moest de sleutels, de kelk en de misgewaden afstaan aan Johan die Hey, die voortaan in Deest de missen zou lezen. De pastoor moest binnen een maand zijn eis en conclusies inzake het bezit van de kapel met alle bewijsstukken inleveren in Arnhem. Van den Graeff zou dan een maand krijgen voor zijn verweer. Daarna zou het Hof de zaak opnieuw bekijken en een definitief oordeel vellen. Zover is het niet meer gekomen. Weldra kwamen er andere zorgen. In 1566 raasde de beeldenstorm over ons land, gevolgd door de Opstand tegen Spanje. In 1609 wordt de kapel definitief gesloten voor de roomse eredienst. De St. Antoniuskapel werd ingericht als dorpsschool. Er kwam een hervormde onderwijzer in te wonen, die lesgaf op gereformeerde grondslag. Maar daarmee was Deest nog niet gewonnen voor het nieuwe geloof. Ook de verering voor St.- Antonius was lang nog niet voorbij, zoals blijkt uit het volgende voorval.

Anthonis-klok, gegoten door Peter van Trier en Johan Philipsen, 1640

In 1640 laten de ingezeten van Deest een klokje gieten door de befaamde klokkengieters Peter van Trier en Johan Philipsen, met uiteraard een bijdrage van het roomse Kapittel van Xanten, waarvan men in Deest eerder niets wilde weten. Dat voor een buiten gebruik gestelde kapel, waarin gereformeerd onderwijs werd gegeven. De klok kreeg de naam van de oude patroonheilige. De tekstband van de klok vermeld trots: Anthonis hiet ick. Daar zag zelfs de dominee, Henricus de Bruyn[3], geen kwaad in.

De katholieken waren voor het bijwonen van de mis aangewezen op de schuilkerk in Afferden. Onder invloed van de franciscanen werd de devotie voor St. Antonius Abt geleidelijk verdrongen door die voor zijn naamgenoot, St. Antonius van Padua.  

Wonderdadige medaille

In 1830 verschijnt Onze Lieve Vrouw aan Catharina Labouré en vraagt haar een medaille te laten slaan met de tekst “O, Maria, zonder zonden ontvangen, bid voor ons die onze toevlucht tot u nemen”.  Deze oproep vond in de katholieke wereld enorme weerklank. U kent die medaille waarschijnlijk nog uit uw eigen jeugd.  Die medaille heeft de devotie tot Onbevlekte Ontvangenis enorm aangewakkerd. In 1854 kondigde Paus Pius IX het dogma af en als Maria enkele jaren later In Lourdes aan Bernadette verschijnt, maakt ze zich bekend met de woorden: ‘Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis’. Als Deest in dat jaar – eindelijk – van Afferden wordt afgesplitst, krijgt de nieuwe parochie dan ook niet St.-Antonius, maar Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen als patroon.


[1] Normaal zijn er twee kerkmeesters. De mannen hebben echter zichzelf die titel aangemeten, met instemming van de abdis en de ingezetenen van Deest. In feite is hier sprake van een ordinaire actiegroep.

[2] De Reventer (Refter), een uithof, werd geleid door conversen (lekenbroeders), en fungeerde als een soort tussenstation tussen het refugiehuis van ’s-Gravendaal in Nijmegen en de overige Maas en Waalse bezittingen. De boerderij stond ter plekke van de huidige kerk. De kapel ter plekke van de huidige pastorie.

[3] Henricus de Bruyn werd in 1615 benoemd tot predikant van Druten; hij was verdraagzaam, pastoraal ingesteld en leerstellig aan de vrijzinnige kant. Hij werd in 1619 door zijn eigen kerk zelfs tijdelijk afgezet, omdat hij weigerde de strenge Dordtse Leerregels te ondertekenen. Vanaf 1621 was hij tevens predikant van Afferden (en Deest).